Onderstreepte zinsdelen benoemen Exercise

Onderstreepte zinsdelen benoemen

5 views 0 saves NL
Send as Assignment Host live session
Onderstreepte zinsdelen benoemen

In deze oefening benoem je de onderstreepte zinsdelen in de gegeven zinnen.

Questions

  1. MultiChoice

    Zin: 'De hond blafte [luidruchtig].' Wat is 'luidruchtig'?

  2. MultiChoice

    Zin: 'Mijn opa is [erg oud].' Wat is 'erg oud'?

  3. MultiChoice

    Zin: '[Volgende week] gaan we op kamp.' Wat is 'Volgende week'?

  4. MultiChoice

    Zin: 'Hij woont [in Amsterdam].' Wat is 'in Amsterdam'?

  5. MultiChoice

    Zin: 'De soep bleek [heel lekker].' Wat is 'heel lekker'?

  6. MultiChoice

    Zin: '[Vanwege de sneeuw] reed de trein niet.' Wat is 'Vanwege de sneeuw'?

  7. MultiChoice

    Zin: 'Piet wordt [later dokter].' Wat is 'dokter'?

  8. MultiChoice

    Zin: 'Ze liep [met een glimlach] weg.' Wat is 'met een glimlach'?

  9. MultiChoice

    Zin: 'Het antwoord is [juist].' Wat is 'juist'?

  10. MultiChoice

    Zin: 'We spelen [op het plein].' Wat is 'op het plein'?

  11. MultiChoice

    Zin: 'Zij lijken [erg blij].' Wat is 'erg blij'?

  12. MultiChoice

    Zin: 'Hij praat [altijd] veel.' Wat is 'altijd'?