Form 4: Werkwoorden met dubbel d of t in verleden tijd Exercise

Form 4: Werkwoorden met dubbel d of t in verleden tijd

10 minutes 5 views 0 saves NL
Send as Assignment Host live session
Form 4: Werkwoorden met dubbel d of t in verleden tijd

Leer wanneer je werkwoorden in de verleden tijd met dubbel d of dubbel t schrijft. Oefen met het juist spellen van deze werkwoordsvormen.

Questions

  1. MultiChoice

    Het kampvuur ... heel fel. (branden)

  2. MultiChoice

    De leraar ... over de geschiedenis. (praten)

  3. MultiChoice

    Het vliegtuig ... veilig. (landen)

  4. MultiChoice

    Hij ... de beker op tafel. (zetten)

  5. MultiChoice

    De leerling ... op de vraag. (antwoorden)

  6. MultiChoice

    De scheidsrechter ... voor de aftrap. (lotten)

  7. MultiChoice

    De brandweerman ... de kat. (redden)

  8. MultiChoice

    Zij ... gisteren haar oude vriendin. (ontmoeten -> ontmoette; of moeten)

  9. MultiChoice

    Hij ... de fles voor gebruik. (schudden)

  10. MultiChoice

    De jongen ... op de trein. (wachten)

  11. MultiChoice

    De bakker ... het deeg. (kneden)

  12. MultiChoice

    Hij ... zijn teen tegen de tafel. (stoten)