Form 4: Werkwoorden met dubbel d of t in verleden tijd
Leer wanneer je werkwoorden in de verleden tijd met dubbel d of dubbel t schrijft. Oefen met het juist spellen van deze werkwoordsvormen.
Questions
-
MultiChoice
Het kampvuur ... heel fel. (branden)
-
MultiChoice
De leraar ... over de geschiedenis. (praten)
-
MultiChoice
Het vliegtuig ... veilig. (landen)
-
MultiChoice
Hij ... de beker op tafel. (zetten)
-
MultiChoice
De leerling ... op de vraag. (antwoorden)
-
MultiChoice
De scheidsrechter ... voor de aftrap. (lotten)
-
MultiChoice
De brandweerman ... de kat. (redden)
-
MultiChoice
Zij ... gisteren haar oude vriendin. (ontmoeten -> ontmoette; of moeten)
-
MultiChoice
Hij ... de fles voor gebruik. (schudden)
-
MultiChoice
De jongen ... op de trein. (wachten)
-
MultiChoice
De bakker ... het deeg. (kneden)
-
MultiChoice
Hij ... zijn teen tegen de tafel. (stoten)