3. Werkwoorden op -den (dt-regel) Exercise

3. Werkwoorden op -den (dt-regel)

5 minutes 3 views 0 saves NL
Send as Assignment Host live session
3. Werkwoorden op -den (dt-regel)

Leer hoe je werkwoorden die eindigen op -den juist spelt in de tegenwoordige tijd met de dt-regel.

Questions

  1. MultiChoice

    Vul in: Hij ... de sleutel. (vinden)

  2. MultiChoice

    Vul in: Het meisje ... tien jaar. (worden)

  3. MultiChoice

    Vul in: Zij ... op de vraag. (antwoorden)

  4. MultiChoice

    Vul in: De verkoper ... korting aan. (bieden)

  5. MultiChoice

    Vul in: De brandweerman ... de hond. (redden)

  6. MultiChoice

    Vul in: Het vuur ... goed. (branden)

  7. MultiChoice

    Vul in: De kok ... de broodjes. (snijden)

  8. MultiChoice

    Vul in: De gids ... de groep. (leiden)

  9. MultiChoice

    Vul in: Mijn vader ... erg netjes. (rijden)

  10. MultiChoice

    Vul in: Zij ... van ijshockey. (houden)

  11. MultiChoice

    Vul in: De student ... zich aan. (melden)

  12. MultiChoice

    Vul in: Hij ... zijn telefoon op. (laden)